25|7|1916 - 6|5|1978
Een leven lang theater Theaterencyclopedie Ko van Dijk

Volgens Lex van Delden

Enige herinneringen aan mijn oom Ko.

Jetty en Ko van Dijk. Collectie Peter Jan van Dijk.
Het is waarschijnlijk niet overdreven om te stellen dat ik reeds aan het toneel wilde voordat ik ooit een toneelstuk had aanschouwd. Van kindsbeen af speelde het theater namelijk een grote rol in mijn bestaan doordat mijn moeder Jetty, het jongere zusje van Ko, vaak sprak over haar in 1937 overleden vader, ter onderscheiding Grote Ko genoemd, die in zijn tijd een bijna even beroemd acteur was geweest als zijn zoon het naderhand zou worden. Ik leefde trouwens haast letterlijk in de schaduw van mijn grootvader, want zijn door Bernardine Schregel vervaardigde portret in de titelrol van Vondels “Gijsbreght van Aemstel” hing boven mijn bed in mijn kamer, totdat ik het wegschonk ter opname in de schilderijencollectie van de Amsterdamse Stadsschouwburg.

Voorts werd mijn verbeelding sterk geprikkeld door de vele oude toneelfoto’s die mijn moeder in dozen bewaarde. (Kleine) Ko en mijn moeder gingen nauwelijks met elkaar om, maar de verering voor Grote Ko hadden ze onmiskenbaar gemeen, en door die kleurrijke verhalen van haar werd in mij het verlangen gewekt om later deel uit te maken van de theaterwereld, ook al kon ik nog niet bogen op persoonlijke omgang er mee. De schijnbaar onoverbrugbare afstand tussen broer en zus was eigenlijk wel wonderlijk, mede aangezien mijn vader, de componist Lex van Delden, herhaaldelijk muziek heeft geschreven voor producties waar Ko aan meewerkte - bijvoorbeeld voor Shakespeare’s “Macbeth” -, maar die betrekkelijke intimiteit werd kennelijk niet voortgezet in hun privé-leven, hoewel we af en toe wel degelijk bij elkaar over de vloer kwamen. 

Ik zal een jaar of zes zijn geweest, toen mijn vader me voor het eerst meenam naar de Stadsschouwburg, maar het zou ettelijke jaren duren voordat ik Ko in levenden lijve zag acteren. Ik had bijna geschreven: ‘voordat ik Ko in levenden lijve kon bewonderen’, maar daar kwam het die eerste keer in feite niet van. Ik had al heel wat toneelvoorstellingen bijgewoond - in mijn beleving alle magische ervaringen, die mijn in aanvang ongefundeerde liefde voor het toneel alleen maar aanwakkerden. Bovendien had ik mensen dikwijls met ontzag horen praten over mijn oom, zoals na de televisie-uitzending van Rod Serlings “Requiem voor een zwaargewicht”. We hadden thuis geen televisie, dus was het drama ons ontgaan, maar daags er na was ik er als ‘klaarovertje’ getuige van dat mensen elkaar spontaan op straat aanspraken om uiting te geven aan de heftige emoties die Ko van Dijk de avond tevoren in hen had losgemaakt. 

Mijn verwachtingen waren dan ook hoog gespannen voorafgaand aan de door mijzelf uitgekozen opvoering van Shakespeare’s “Coriolanus” in de Stadsschouwburg met Ko in de titelrol. Die belevenis liep helaas uit op een lichtelijk onthutsende teleurstelling. Zoals gezegd, had ik tot dan toe alle door mij bijgewoonde toneelvoorstellingen, de ten onrechte verguisde “Gijsbreght” incluis, ondergaan als wonderen van volmaaktheid, maar het was Ko, die een element van twijfel introduceerde in mijn beoordeling van hetgeen het theater had te bieden. Ik geloof niet dat ik een geheim verraad, als ik hier vertel dat Ko bij wijlen enorm ‘schmierde’, en zo kon het gebeuren dat ik, enigszins aan de zijkant van de stalles gezeten, voor het eerst in mijn leven een acteur malle smoelen zag trekken tegen zijn collega’s, terwijl ik in de veronderstelling verkeerde aanwezig te zijn bij een belangrijke culturele manifestatie, en het vergde een grondige innerlijke worsteling voordat ik die ongezochte bezoedeling van het weinig reële beeld dat ik tot op dat moment had gehad van het toneel kon duiden als een in wezen futiel bagatel… 

Gelukkig heb ik Ko vele malen daarna mogen aanschouwen in onvergetelijke creaties van de meest uiteenlopende personages! Niet de geringste daaronder was zijn meesterlijke portrettering van Spoel in Shakespeare’s “Een Midzomernachtsdroom” in een enscenering door de toenmalige Nederlandse Comedie, die ik samen met mijn moeder van het schellinkje in de Stadsschouwburg bekeek. Ko leverde daarin zo’n briljante prestatie - komisch en ontroerend tegelijk -, dat mijn moeder geen weerstand kon bieden aan de drang om hem daar na afloop mee te complimenteren, ondanks haar gemengde gevoelens jegens haar broer. Ko reageerde uiterst hartelijk op die toenadering, en zo begon er een periode waarin we op vriendschappelijke voet met elkaar omgingen, al was die van vrij korte duur. 


Ko van Dijk in Karakter. Collectie Peter Jan van Dijk.
De hernieuwde verwijdering tussen ons deed mij besluiten om mij pas weer in Ko’s nabijheid te begeven, wanneer hij mijn vader zou spelen - zo arrogant was ik kennelijk tòèn al! Verrassend genoeg stond het lot me toe om dat voornemen ten uitvoer te leggen: in 1971 nam Ko de rol van de deurwaarder Dreverhaven op zich in Walter van der Kamps knappe televisiebewerking van Bordewijks roman “Karakter”, waarin ik zijn buitenechtelijke zoon Jacob Katadreuffe gestalte mocht geven.

Het moge bekend worden geacht dat er in het boek sprake is van een getroubleerde relatie tussen een man (Dreverhaven) en een bij hem als huishoudster in dienst geweest zijnde vrouw (Joba), die vroeger een verhouding hebben gehad waaruit een zoon is geboren, maar die allengs vijandiger tegenover elkaar zijn komen te staan. Walter van der Kamp, die tevens de regie voerde, kon natuurlijk niet weten dat Andrea Domburg, die hij had gevraagd voor de rol van Joba, en Ko in het verleden jarenlang ongehuwd hadden samengewoond en elkaar sedertdien niet bepaald toegenegen waren (om het mild uit te drukken). Voeg daarbij de ietwat stroeve verstandhouding tussen Ko en mij, en de kiem voor een explosieve situatie was gezaaid!

Onbedoeld kon Walter van der Kamp derhalve profijt trekken van de reeds bestaande spanningen tussen zijn drie hoofdrolspelers, en dat heeft zeker vruchten afgeworpen, want de serie was een eclatant succes. Wat mij van de samenwerking met Ko in die productie bovenal is bijgebleven, is de generositeit waarmee hij me tegemoet trad. Dat blijkt onder meer uit de confrontatie tussen vader en zoon, die op de website valt te zien: Ko geeft daarin zijn eigen personage natuurlijk het volle pond (en hòè!), maar tegelijkertijd geeft hij mij - zoveel minder ervaren dan hij - alle steun bij het invullen van mijn karakter. Het zegt veel over de overgave waarmee hij zijn vak beoefende… mits hij zich daartoe gedreven voelde.

Sindsdien heb ik blijvend mogen verkeren in de wijde kring rond Ko, een door mij als hoogst vererend ondergaan voorrecht. Een der grootste complimenten die ik ooit heb ontvangen was overigens afkomstig van Ko. Om hem niet de indruk te geven dat ik een slaatje wilde slaan uit het feit dat ik zijn volle neef was, zweeg ik in het openbaar over onze familierelatie. Enige tijd na de uitzendingen van “Karakter” werd ik er tot mijn verbazing echter op aangesproken door een mij vreemd echtpaar. Op mijn vraag hoe die mensen er van afwisten, legden zij uit dat Ko het hun zelf had verteld! Ik heb het altijd opgevat als een bewijs van zijn goedkeuring van mijn verrichtingen als Katadreuffe, en tot op de dag van vandaag stemt dat me intens dankbaar en gelukkig!

Londen, januari 2007
 
Ko van Dijk in Dagboek van een herdershond. Fotograaf onbekend.
Ko van Dijk in Dagboek van een herdershond. Fotograaf onbekend.
 
Alleen in Ko van Dijk
1930
1940
1950
1960
1970
1980
1990
2000
2010
2020