
Portret Theodora Bouwmeester, 1868.In het voorjaar van 1866 werden de meeste kermissen verboden omdat een choleraepidemie zich over het land verspreidde. Voor veel toneelgezelschappen, die voor de zomer al een tour langs de kermissen gepland hadden, was dit een catastrofe. Veel moesten er worden ontbonden, zo ook het gezelschap van Boas en Judels, waar Dora's broer Louis Bouwmeester werkte. Louis vormde toen samen met enkele andere werkloze acteurs en actrices een eigen troep. Ook Louis Rosenveldt, Bouwmeesters vader, sloot zich bij het gezelschap aan.
Na de zomer vestigden zij zich in toneelzaal Diligentia in de Kalverstraat (op de plek waar later de Corso-bioscoop kwam). De directie heette nu 'Louis Bouwmeester & Co.', en behalve zijn vader had Bouwmeester nog meer familieleden geëngageerd: zijn vrouw Christine la Rondelle en haar moeder Louise la Rondelle, zijn broer Frits en twee zusters Louise en Dora, zijn halfbroer Willem, zijn tante Gezina en haar dochter. Maurits Frenkel, met wie Dora een jaar later zou trouwen, was er orkestmeester. De komieken Eduard Bamberg en Samuel Kapper waren de enige artiesten van naam bij het gezelschap die geen familie waren.
In september 1866 tekende Dora Bouwmeester bij hen haar eerste toneelcontract. "Nòg zie ik me zelve staan voor de tafel, waarop mijn contractje lag. Ik keek er lang naar. "Teeken maar", zei Bamberg, "t is je doodvonnis niet!" Diligentia werd wat verbouwd en ingericht tot schouwburgzaal en opende feestelijk met de voorstelling De Bedelaarster.

Louis Bouwmeester in 'De scheepsjongen', ws. 1862.Het repertoire van het gezelschap bestond uit zowel vrolijke kluchten en blijspelen als drama's. Het bespelen van alleen Diligentia leverde niet genoeg op en al snel reisde het gezelschap het hele land door. "Alles ging per diligence van Van Gend & Loos. Ons speelrepertoire bestond in: 'Lekain in duplo', 'De Scheepsjongen' en 'De Bedelaarster'. Dat drietal speelden we zoowat den heelen winter door en we maakten toen beste zaken."
In mei 1867 werd besloten gedurende de zomermaanden in de Rotterdamse schouwburg te spelen en Dora en haar zus Louise namen voorlopig hun intrek bij hun oom Frans Bouwmeester. Rotterdam werd de vaste standplaats van waaruit het gezelschap alleen soms in nabijgelegen steden als Gouda optrad en bijvoorbeeld een reeks voorstellingen gaf in de grote tent van Grader aan de Plantage Parklaan in Amsterdam.

Place de Pay-Bas in Rotterdam, in 1869-70 de schouwburg van de Bouwmeesters. Na de dood van Dora's vader Louis in 1867 bleven de 'kinderen' nog bijna zes jaar bij elkaar. Rotterdam was ondanks alle omzwervingen hun vaderstad, en als een echte clan woonden ze daar bij elkaar, in de artiestenbuurt in de zijstraatjes rond de Hoogstraat. Het repertoire bleef ongewijzigd: De Bedelaarster en zwaar-romantische stukken als De Armen van Parijs, De Voddenraapster van Parijs, De Bohemers van Parijs, De Goudzoeker en Pillen van de duivel waren nog altijd publiekstrekkers.
Op een feestterrein tussen de Kruiskade en plaats waar nu het Weena is, werd een verplaatsbare houten schouwburg gemaakt. Exploitant J. Doon had dat terrein de naam 'Place de Pays-Bas' gegeven, maar de Rotterdammers vonden dat te deftig en noemden het gewoon 'De tuin van Doon'. In het seizoen van 1869-1870 speelden de Bouwmeesters in deze schouwburg hun vaudeville-achtige stukken en melodrama's.
Na dit uitstapje met het eigen gezelschap, keerde Louis Bouwmeester rond 1873 als associé weer terug bij Boas en Judels in Amsterdam. Hij kon het grootste gedeelte van zijn Rotterdamse gezelschap meebrengen, onder wie ook zijn zus Dora. Zij had tussen het spelen door in Rotterdam vier zonen gekregen: Jacques, Louis en Theo. De vierde zoon Maurits werd kort na de verhuizing naar Amsterdam geboren.
Hieronder vindt u enige rollen die Dora Bouwmeester vertolkte in de tijd dat ze bij het gezelschap van haar broer Louis speelde.
Bronnen:
Mijn Jeugd- en Tooneelherinneringen van Theo Mann-Bouwmeester (Amsterdam 1916),
Biografisch Woordenboek van Nederland en
De Bouwmeesters. Kroniek van een theaterfamilie van Simon Koster (Assen 1973).