Volgens Paul Haenen
Over het schrijven van Een bijzonder prettig vergezicht.

'Toen ik het stuk,
Een bijzonder prettig vergezicht, die zomer [van 1986] schreef, woonde ik in Maarssen aan de Vecht. Mary had een woonboot in Weesp, ook aan de Vecht. Zij belde mij eind juli wel 's avonds laat op en vroeg om tekst, want de eerste repetities waren in oktober. 'Hoe ver ben je nou, ik moet tekst hebben.' Ik loog dat er een nieuwe scène klaar was. De hele nacht schreef ik door en 's ochtends fietste ik langs de Vecht naar haar toe, met de scène achter op de bagagedrager. In
haar tuin las ik het dan voor. Dat is voor mij een van de leukste herinneringen aan haar.
Toen ik voorlas, was Mary al bezig met de mise-en-scène. Ze zat al helemaal in die rol, ik zag haar denken: dan doe ik dit en dan doe ik dat. Ik vond het heel romantisch, dat een vrouw die ik van jongs af aan al bewonderde, nu in haar tuin luisterde naar de tekst die ik voor haar had geschreven, en die zij op het podium zou uitspreken. Ik was weer even die kleine jongen van toen.'
bron:
Mary Dresselhuys. De Grande Dame van het Nederlandse toneel, Tonko Dop en Hilde Scholten (Terra Lannoo 2005)