Volgens Merel Laseur
Een boerentrien uit Tiel.
'In de hongerwinter was mamma vindingrijk als het erom ging aan eten te komen. Ze reed op een fiets met houten banden naar Aalsmeer met het familiezilver en met prachtig antiek linnengoed. Dat ruilde ze voor eten bij Alie, een boerin. Als je op de terugweg werd aangehouden met je fietstas vol aardappels was je alles kwijt, dus het was een behoorlijk riskante onderneming. Wanneer de aldus verkregen kaas op was, poften we de korstjes op het noodkacheltje. De smaak van tulpenbollen, eveneen geroosterd, kan ik me nog precies voor de geest halen. Mijn moeder klaagde niet over deze expedities, ze noemde zichzelf altijd 'een boerentrien uit Tiel'. Mijn vader was meer iemand van luxe, die liet 's morgens een kapper komen om hem te scheren.'
bron: Mary Dresselhuys. De Grande Dame van het Nederlandse toneel, Tonko Dop en Hilde Scholten (Terra Lannoo 2005)