Over zijn tijd als wonderkind
Een onhandelbaar misbaksel
“Een beroerling was ik, een misbaksel. Hoe kon het ook anders. Ik verdiende in die dagen bijna helemaal alleen het brood voor het gezin. Bijna vijfendertig gulden per dag. Iedere avond zong ik mijn liedjes. Ik werd met applaus, liefkozingen en snoeperijen overladen, terwijl vier decoratieve dames de hele avond als achtergrond op stoelen op het toneel zaten. Bünhe-zitten noemde men dat. Mijn moeder was een van die dames. Al op mijn veertiende besefte ik wat een onhandelbaar, misselijk, verwaand, afschuwelijk bedorven, grote mensen na-apend mormel ik was. Maar goddank kon ik de weg van het wonderkind nog verlaten.”
Geciteerd uit: Brabants Nieuwsblad, 4 juli 1964